interview by Johannes van der Wolk - Dutch

Horizon

Johannes van der Wolk 

Voor alles gaat het je in je werk om ruimte. De eerste jaren was dat de ruimte en de onmetelijke leegte zoals je die in Australië hebt beleefd. Later werd het ook steeds meer de ruimte en de ritmiek in Nederland, van het landschap en van de gebouwde omgeving. Je hebt heel wat van de wereld gezien.

José Heerkens 

Dat valt erg mee. Maar wat ik zie komt stevig in mij terecht. Het is van belang, dat je tijdens een reis in staat bent goed te kijken, dat je open staat voor de plaats waar je bent.

Een reis die diep in mij zit, is een reis naar IJsland, die ik in 1980 samen met Cees maakte op het einde van mijn eerste academiejaar in Den Bosch. Het lege landschap, weinig mensen en het nachtelijke licht waren de voornaamste redenen om IJsland te kiezen. Het landschap is er grillig, de kleuren grijs-blauw-bruin-antraciet en er zijn

nauwelijks bomen. Overal voel je de kracht van de aarde. Het was een fascinerend hoogtepunt getuige te zijn van de vulkaanuitbarsting bij Myvatn. Reizend naar het noorden zag je de rookmassa opstijgen: een verticale pijler van rook die zich hoog in de lucht verspreidde. ’s Avonds ben ik met een klein vliegtuigje meegevlogen rond de krater en het gebied van de uitbarsting, terwijl ik met een super 8 camera alles op film vastlegde. Het is in het kort niet goed te beschrijven hoe ik dat ervaren heb, maar eenmaal geland stond ik helemaal te trillen. Ik had het gevoel dat ik nooit meer zo’n overweldigende kracht zou ervaren, nooit meer zoiets groots.

Kennelijk was het vooral de natuur en het landschap dat jullie trok.

Zeker. In de natuur is alles. Maar ook de mensen trokken ons! Het klimaat en het landschap zijn bepalend voor de geaardheid en de leefgewoonten van mensen.

In 1981 volgde een reis naar de Verenigde Staten. Hier trokken me toch vooral de steden met hun musea en architectuur. De reis ging van noord naar zuid, in een huurauto door de oostelijke helft. De trajecten door het uitgestrekte landschap waren prachtig, maar het doel was steeds weer de stad. Zo heb ik eind jaren zeventig gereisd in Jordanië en Israël en ik weet nog heel precies dat ik de busrit door woestijngebied gebruikte om te slapen. Leegte was mooi maar niet genoeg.

Maar dat heb je later in Australië wel ingehaald. In welk jaar was dat?

Dat was in 1992. Pas in Australië heb ik ervaren hoe ontzettend bijzonder een leeg landschap is. Enorm uitgestrekte gebieden zonder nederzettingen. We hebben vooral in de oostelijke helft en in het centrum van het land rondgereisd. Onze reis begon in Melbourne en de eerste weken hebben we veel gezien in de zuidelijke staat Victoria. Van daaruit gingen we naar Tasmanië: veel weids en glooiend landschap maar ook grote ruige en onherbergzame gebieden.

Terug in Australië begon onze reis, met auto en caravan naar Adelaide, Broken Hill, Canberra, Sydney, Brisbane, verder noordelijk tot het gebied rondom Cairns. We verbleven op heel diverse plaatsen, soms langere en soms kortere tijd. Vanuit Cairns zijn we naar Alice Springs gevlogen, een stadje dat totaal geïsoleerd in het middelpunt van het land ligt. We hebben veel gezien van het Australische binnenland, dat zo uitgestrekt, heet en droog is dat het vreemd is dat je er kunt zijn. Dat laatste is tegelijk de fascinatie. Daar besef je dat de aarde een eigen maat heeft.

Heb je destijds ter plekke ook geschilderd of misschien getekend?

Weinig. Daar had ik ook geen behoefte aan. Er was zoveel te zien. In zo’n situatie ben ik vooral een ‘voldrinker’ en geef ik me over aan wat ik zie. De selectie komt later. Wel heb ik veel foto’s gemaakt, niet met artistieke pretenties maar om vast te leggen wat ik zag. De foto als drager van het geziene.

Vrij snel nadat ik thuis kwam, augustus 1992, begon ik te schilderen. Er moest ordening komen in de veelheid van ervaringen. In dat jaar is er een drieluik naar de City Art Gallery in Broken Hill gegaan. Zo heb ik een voetstap achter kunnen laten in deze zilvermijnstad, die honderden kilometers van de dichtstbijzijnde plaats verwijderd ligt. Broken Hill is heel bijzonder. Ik was er graag. Ten noorden van Broken Hill begint een eindeloos vlak gebied. De einder ligt laag als een strakke horizontale lijn. Tussen jou en de einder ligt de onmetelijk lege vlakte.

Het centrum van Australië is verrassend door de prachtige tafelbergen, monolieten, rotsspleten en ravijnen. Ze liggen daar in een eeuwenoude stilte. Er is de hitte die als een soort zweep constant over je heen vliegt. Het felle licht dwingt je heel nauwkeurig te kijken. De kleur van het zand. Een mooiere menging van rood, bruin en oker

is niet voor te stellen. Het leven van kleine beestjes op de grond. De lucht trilt en beweegt. En dat terwijl er vrijwel geen geluid is. Ik werd enorm geraakt door deze ruimte.

In zo’n oorspronkelijk landschap komt er in mij een sterke levensdrang. Dan word je je heel bewust dat je deel wilt zijn van de natuur en van het bestaan. Daarin schuilt de authentieke kennis waar je het van moet hebben. Het stimuleert me om mijn plaats in het leven in kaart te brengen. Waar ben ik en waar ben ik deel van? Dat geldt ook voor de ruimte. Door de ruimte te benoemen en te begrijpen, word ik er meer deel van. Door te schilderen kan ik ruimte zien en zichtbaar maken. Ruimte, levensruimte is noodzakelijk. Niet alleen fysiek. De ruimte moet ook in je hoofd zitten.

Denk je dat je dat gevoel voor ruimte ook ergens anders dan in Australië had kunnen ervaren? Of is dat heel specifiek aan die plek op aarde gebonden?

Uiteindelijk denk ik dat die ervaringen met die plek verbonden zijn.

Het Australische binnenland is leeg en zo meedogenloos. Het gaat er om overleven. De aboriginals hebben er vele duizenden jaren kunnen overleven, lopend van gebied naar gebied, van heiligdom naar heiligdom en van voedsel naar voedsel. Voor deze bijzondere cultuur heb ik veel respect.

Misschien zou ik ergens anders niet zo geraakt zijn door de wisselwerking en de eenheid van land-klimaat-mens. En zou ik misschien zelf niet zo bewust zijn gaan zoeken naar harmonie, zuiverheid en universele ruimte. Om te overleven.

Natuurlijk is ook het regenwoud, dat ik heb gezien in het noordoosten van Australië, mysterieus, vol en weelderig. Maar ik hoor toch meer bij het droge, taaie gebied, leeg en ruim en waar je ver kunt kijken. Tijdens eerdere reizen was ik waarschijnlijk nog niet toe aan dit landschap.

Ga je in Nederland wel eens naar zandverstuivingen en levert dat dan ook zo’n ervaring op?

Ervaren is zien, horen, voelen en ruiken. En dat maakt het toch heel anders. De intens stille ruimte van Australië heb ik hier nooit ervaren. Nederland zit vol geluiden. Ik ken nergens zo’n kale leegte als in Australië.

Is het eigenlijk niet wonderlijk dat je een echte binnenschilder bent?

Je werkt niet buiten in de natuur, niet in de ruimte die je wilt verbeelden, maar binnen. In je atelier laat je wel veel licht naar binnen. Waar je dat nodig vindt, filter je het met kaasdoek en verleng je als het ware de witte muren. Maar aan zicht op de omgeving lijk je geen behoefte te hebben.

In de jaren op en direct na de academie heb ik veel buiten getekend en geschilderd. Waarschijnlijk moet je wel eerst heel goed buiten kijken om er binnen iets mee te kunnen doen. Het gaat mij niet om de vormen die je buiten ziet, maar om de ruimte, het licht, het ritme, de kleuren en het evenwicht van dat alles. In het atelier kun je wat je buiten zag in alle rust verwerken. Kun je de ruimte grijpbaar maken en er weer op door gaan in een volgend werk.

Na de reis door Australië ben ik ruim acht jaar bezig geweest met het vastleggen en abstraheren van de ruimte die ik daar gezien had. Rond 2000 had ik het gevoel dat dit thema klaar was en kwam ik los van de aardkleuren en ook van het landschap. Kleur op zich is steeds belangrijker voor me geworden. Elke kleur heeft zijn eigen ruimtelijkheid.

Met die ruimtelijkheid verhouden de kleuren zich tot elkaar en kan ik komen tot verbeelding van de ruimte. Langzaam transformeerde zo de Australische landschappelijke ruimte naar onze ruimte van hier en nu, naar de ruimte van ons bestaan.

In wat voor soort ateliers heb je door de jaren heen gewerkt?

Na de academie heb ik een tijdje een atelier kunnen huren boven de bibliotheek hier in Zeeland. Dat was niet slecht maar ik moest de ruimte delen met anderen die er ’s avonds bezig waren.

Gelukkig kreeg ik een vergunning om een atelier achter in de tuin van het woonhuis te bouwen. Daar heb ik ongeveer acht jaar gewerkt. Het was in totaal 7,5x10 meter, kleiner dan nu. Inmiddels had ik twee jonge kinderen en thuis werken kwam dan ook goed uit. Toen ze klein waren speelden ze in een grote zelfgemaakte box in het atelier. Dat ging wel een paar uur achter elkaar goed. Met kleine kinderen heb je korte werktijden tot je beschikking. Je werkt dan meer fragmentarisch, maar toch: het proces kon doorgaan.

Waarom ben je daar niet blijven werken? Menig kunstenaar zou jaloers zijn geweest op zo’n mooie werkruimte.

In 1997 bleek een andere mooie ruimte tijdelijk beschikbaar. Het oude gymnasium bij de abdij van Heeswijk stond grotendeels leeg. Ik kon er de refter huren. Deze ruimte was hoog. Het licht was er goed en het vloeroppervlak wel vijf maal zo groot als het atelier bij huis. Daarmee had ik een prachtige plek niet alleen om te werken, maar ook om er mijn werk op te slaan. Het gaf mij plotseling ook beter de gelegenheid om er belangstellenden mijn werk te tonen. Inmiddels is besloten het oude complex te verbouwen en weer als schoolgebouw in gebruik te nemen. Ik heb er zes jaar gewerkt.

De oplossing lag kennelijk weer in de eigen achtertuin.

Ja. Aan het atelier mocht een stuk worden aangebouwd zodat ik toch een flinke werkvloer heb en het werk hier binnen handbereik opgeslagen kan worden. Er is een glaswand op het noorden. Het licht is goed. Ik werk hier graag. Het is er stil. Ik denk dat de plek waar je werkt niet stil genoeg kan zijn. Je wordt niet afgeleid en wil je méér horen en zien dan ga je er daarvoor op uit. Afleiding is toch steeds weer een onderbreking van de concentratie, van de dialoog tussen jou en het werk.

Wie het beeld heeft van een schildersatelier met ezels met daarop schilderijen-in-wording is bij jou aan het verkeerde adres. Je hangt wel werken aan de muur om er wat langer naar te kijken. Maar ook de muur lijkt niet de plek waar je ze maakt. Niet op de ezel en niet aan de muur. Ik zie wel een tafel met kwasten en verf. Hoe werk je dan?

Ik werk op de grond. De doeken liggen op de vloer en ik zit er naast op mijn knieën of op mijn hurken. Soms hang ik erover heen. Ik loop rond het doek. Als ik er bij een groot formaat in het midden niet bij kan, dan rol ik een lange plaat met vier zwenkwieltjes over het schilderij heen. Daar sta ik dan op en kan overal bij.

Ik weet nog precies bij welk doek ik met deze manier van werken begon. Ik wilde er dunne verf ‘overheen leggen’ die niet mocht uitlopen en ook niet mocht gaan druipen.

Heb je het zelf bedacht om zo te willen schilderen met het doek op de vloer? Of heb je dat overgenomen van een collega? Voorbeelden die mij te binnen schieten zijn Jackson Pollock in zijn atelier in New York en de Australische aboriginals soms in het lokale kunstencentrum maar meestal in de open lucht als het ware één met hun grond.

Zoiets komt vrijwel altijd voort uit praktische overweging. Zo is het ook voor mij begonnen. Ik wilde niet dat de verf uit zou lopen. Bovendien bleek ik het werken op de grond fijn te vinden. En lijnen kun je beter schilderen als het doek op de grond ligt.

Ook zoals Jackson Pollock werkte was het praktisch om de drager op de grond te leggen. Hangend zouden het heel andere schilderijen zijn geworden. Niet wat hij wilde. Met aboriginal kunst is het anders, het heeft een andere oorsprong. Hun schilderingen hadden een religieus ceremoniële reden. Hiervoor maakten ze schilderingen in het zand en beschilderden hun lichaam, met kleurmaterialen die ze in het gebied voorhanden hadden: natuurlijke oker, hars, bloed, as, etc. Deze ceremonies bestaan nog steeds. Pas sinds de zeventiger jaren schilderen ze op doek om een schilderij te maken, als kunstwerk. Dit gebeurt zittend op de grond, zoals ze vanouds gewend zijn te doen.

Dan dateert dit schilderij van zeker vlak daarvoor?

Dit doek is van 1996. In dat jaar heb ik in diverse doeken geëxperimenteerd met het druipen en laten lopen van de verflijnen. In enkele schilderijen, getiteld Weaverbird, gebruikte ik het druipen om het lijnenspel als een sluier te verweven. In nog enkele andere werken uit die periode, getiteld Sound Tracks, in formaat 80x90cm, heb ik de

lijnen laten lopen. Daarna ben ik hier niet mee verder gegaan.

Het maakt niet uit waarop je werkt. Of het nu op papier, karton of linnen is, je bent altijd een schilder. Je bent geen tekenaar of beeldhouwer, maar voluit een schilder. Waar werk je het meeste mee, met olieverf of met acrylverf?

Op doek werk ik altijd met olieverf. Als ik op papier of karton schilder, gebruik ik meestal acryl, soms ook olieverf. Ik houd van olieverf, van de materie. Het heeft een stevige substantie en het is op veel manieren te gebruiken.

Je hebt in de loop der jaren heel wat varianten op de klassieke vorm van een schilderij verkend. Naast de traditionele vorm van een op een spieraam gespannen doek, bij jou in maat variërend van 35x35cm tot 182x226cm, lijkt het niet op spieraam gespannen doek een speciale aantrekkingskracht voor je te hebben.

Eerst waren er de ietwat grillig afgesneden doeken die je schijnbaar los van de achterwand toch op de een of andere manier wist op te hangen. En nu presenteer je sommige van je kleine schilderijen als waren het tekeningen in passe-partout en achter glas ingelijst. Raak je uitgekeken op de klassieke vorm van schilderijen? Die maak je ook nog steeds. Dus dat zal het wel niet zijn. Maar wat is het wel?

De klassieke vorm van schilderijen met spanraam en doek blijft prachtig om op te werken. Het spanraam van hout of aluminium bespan ik zelf met linnen of ik bestel het kant en klaar. Om het linnen te prepareren kies ik meestal transparante beenderlijm. Door die transparantie blijft het linnen als drager zichtbaar.

Het begint met de keuze van het formaat. Ook het formaat en de verhouding tussen hoogte en breedte van een doek drukken iets uit. Het is je eerste vorm. Een duidelijk verticaal, staand doek roept een ander gevoel op dan een uitgesproken horizontaal, liggend doek. Ik reageer sterk op het formaat. Het schilderij heeft altijd een relatie met het formaat.

Soms kies je ook niet voor de vastheid van een spieraam. Waarom doe je dat dan niet?

Dat heeft meerdere redenen. Linnen is bijzonder mooi materiaal dat niet opgespannen ook een stevige drager kan zijn. Opgespannen doeken roepen verwachtingen op. Daarom maak ik met regelmaat een aantal losse, geprepareerde doeken. Ik leg een lap linnen plat op een plaat, zet het aan de randen vast met nietjes en prepareer het met beenderlijm. Als dit klaar is, maak ik het linnen los en snijd het in de gewenste formaten. Aan deze vellen zitten grillige randen door het nat worden en drogen van het linnen tijdens het prepareren. Die randen gaan meedoen in het totaalbeeld.

Meer recent heb je sommige werken opgezet in passe-partout en achter glas ingelijst. Dat is weer het andere uiterste.

Als je een los doek wilt exposeren moet je hiervoor een manier vinden. Op de tentoonstelling in Museum Jan Cunen in Oss in 1999 heb ik voor de eerste keer losse linnen werken getoond. Met een latje aan de achterkant konden ze opgehangen worden en bleven ook iets van de muur af. Dat was goed. Je kunt ze ook met stalen

spijkertjes in de hoeken vastzetten op de muur maar het blijft een tijdelijke oplossing. De kleine werkjes die ik tegenwoordig naast de grotere maak zet ik in een passe-partout en lijst ze in achter glas. Dat geeft in dat geval meer rust en concentratie. Per serie zoek ik voor de beste oplossing.

Naar het schijnt kiezen de Australische aboriginal-schilders lang niet altijd voor een bepaalde hangrichting van hun schilderijen. Of dat betekent dat ze dan ook zelf niet bezig zijn met boven en onder, met horizontaal en verticaal, dat weet ik niet. Het kan natuurlijk ook voortkomen uit een wat minder neurotische levenshouding dan we in ons deel van de wereld gewend zijn geraakt. Of met een ander gevoel voor dimensies.

Aan het werk van aboriginal schilders zie ik wel dat ze een heel kosmisch ruimtegevoel hebben. Misschien dat daarom begrippen als ‘boven’ en ‘onder’ etc. niet zo van toepassing zijn. Je ziet op hun werk ook geen horizon. Zij zijn één met de natuur. Wij kijken meer tegen de natuur aan, staan als het ware voor de natuur. Dit is een totaal andere beleving, die volgens mij heel diep zit.

Mijn eigen werk heeft wel een hangrichting. Het heeft een boven- en een onderkant. Dat ik de schilderijen plat op de grond schilder betekent voor mij niet dat ze geen onder- en bovenkant zouden hebben. Integendeel.

Als jouw doeken niet vierkant zijn, dan is de grootste maat bijna altijd de horizontale kant. Daar heb je vast wel een verhaal bij. Maar eerst zou ik naar de paar schilderijen willen kijken die je in staand formaat hebt gemaakt. Hoeveel zijn er dat? En wat heeft je ertoe gebracht om ze in deze vorm te maken?

Een verticaal beeld is vitaal. Ik denk dat het staand formaat dus eerder activiteit en beweging oproept. Beweging van beneden naar boven en andersom. Je ogen lezen het verticale schilderij anders dan het horizontale. Het is een uitdaging om ruimte van het landschap op een verticaal doek te zetten. Mijn meeste doeken zijn inderdaad horizontaal. Maar zo nu en dan doorbreek ik dat vaste gegeven.

De verticale doeken lijken me een soort grenspalen, die wellicht onbewust en onbedoeld momenten van verandering markeren. Ze helpen je de overstap van de ene manier van werken naar een andere te maken, denk ik.

Daar heb ik niet zo meteen een spontaan antwoord op. [...] Deze vraag heb ik een tijdje naast me neer moeten leggen om te kijken en te zoeken in mijn eerdere werk om het antwoord te vinden. Het is vreemd, maar ik denk dat je gelijk hebt. Ik heb het nooit eerder opgemerkt: een verticaal doek blijkt inderdaad een nieuwe etappe aan

te kondigen. Ik heb hier geen verklaring voor. Ik ben toch nog veel verticale doeken tegengekomen. Een paar ervan wil ik hier speciaal noemen.

Vrij snel na de terugkomst uit Australië heb ik veel kleine verticale werkjes gemaakt. Ze kondigen nieuwe manieren van werken aan en zijn zelfs een breekpunt met al het eerdere werk. Het was vooral een zoeken naar de schilderkunstige taal om met lijnen de ruimte te verbeelden. De grote schilderijen die hierop volgen zijn allemaal

horizontaal.

Op het verticale doek, Energy, 1995, dat ik hier wil noemen, staan cirkellijnen op de achtergrond. De lijnen worden geschilderd vanuit de hoeken. Over de cirkellijnen heen heb ik lijnen in  andere richtingen geschilderd. Het dateert van 1995. In dat jaar heb ik nog twee verticale schilderijen met cirkellijnen gemaakt. Hierna kon ik er niet mee verder maar het idee had zich aangekondigd en bleef aanwezig. Op een gegeven moment ben ik begonnen aan een hele periode met cirkellijnen, de serie Zonder Horizon vanaf 1998. Deze serie loopt door tot in 2002 en alle doeken in deze serie, in grote en kleine formaten, zijn horizontaal. In Zonder Horizon is het beeld opgebouwd uit steeds groter wordende cirkellijnen vanuit de vier hoeken met daaroverheen horizontale lijnen, refererend aan landschap.

Op het verticale schilderij, Zonder Titel, uit 1998 wilde ik diverse ritmes schilderen met lijnen en lijntjes. Ik wilde richtingen onderzoeken. Het lijkt wel een soort stalenkaart. Hierna begon ik aan doeken van 40x50cm. Tenslotte ontstaat er vanaf 2000 een serie van wel twintig schilderijen, getiteld Hektikos. Ze zijn allemaal horizontaal. In deze serie werk ik met elkaar kruisende korte lijnen, horizontale, verticale en schuine lijnen, waardoor een soort hektiek ontstaat van in elkaar

grijpende ritmes.

De staande formaten blijven een uitzondering in jouw werk. Je werkt kennelijk het liefst op liggende formaten.

Het is vanzelf gegaan. Het heeft met landschappelijkheid te maken. En met de ruimte waarnaar ik altijd op zoek ben. De horizon is een vast gegeven. Het land is horizontaal. De lijnen die parallel aan de horizon lopen, trekken het beeld zijwaarts, naar de breedte. Ik noem het de horizontale ruimte. Dit vind ik een prachtig gegeven, een bijna ademende ruimte. Het geeft een andere ruimte dan de perspectivische ruimte waarbij de lijnen loodrecht op de horizon staan. Deze ruimte in de diepte zuigt ons naar zich toe. Volgens mij kijken wij horizontaal.

Ik laat veel complexiteit toe en tegelijk zoek ik eenvoud. Tussen die twee uitersten werk ik, ben ik bezig om tot harmonie en evenwicht te komen. Ook vorm en ruimte, gelijkwaardig en opgaand in elkaar, blijven voor mij steeds een uitdaging. Ik blijf doorwerken totdat alles in verhouding is gekomen, zijn plaats heeft gevonden, tot alles past. Onnodige details hebben geen zin. Soms is er een mooi fragment. Maar als het niet meedoet in het geheel dan schilder ik het weer weg.

Mijn werk is abstract. Maar die abstractie zit heel dicht bij de natuur waarin ook alles zijn plaats heeft.

Werk je in series? Ik bedoel: maak je werken van één bepaalde maat of thema na elkaar of ben je nu eens zus en dan weer zo bezig?

Meestal heb ik meerdere werken tegelijk onderhanden. Een praktisch gegeven van olieverf is dat je niet door kunt werken. De verf moet steeds weer aandrogen. Ook weet ik soms niet hoe ik verder moet. Dan laat ik het doek liggen en werk ik eerst door aan een ander. Zo liggen er altijd wel een paar doeken op de grond waar ik mee

bezig ben en ze zijn meestal niet van een zelfde serie.

Een serie ontstaat. Ik heb een serie niet van tevoren in mijn hoofd. Al werkende gaan doeken bij elkaar horen. Ook de maat speelt hierbij een rol. Vooraf heb ik wel een idee. Maar tijdens het proces zal blijken hoe het zich ontwikkelt. Vaak komt het volgende werk voort uit het vorige, als vervolg of als reactie. Schilderen is voor mij een constant proces van kijken, voelen, denken en schilderkunstig handelen.

Een serie bedenken en dan in een keer uitvoeren, daar houd je niet van. Dat is duidelijk niet jouw manier van werken. Je hecht kennelijk zeer aan de vrijheid van het moment.

Aan de vrijheid van denken, de vrijheid van kiezen. Om te leren moet je de vrijheid hebben om op een mogelijkheid in te gaan. Elk schilderij is autonoom. Als ik van tevoren een serie zou bedenken, dan hoef ik het alleen nog maar te maken. Daar zou ik niet veel aan vinden want dan weet ik het eigenlijk al. Maar al werkend de gelegenheid scheppen iets te ontdekken, al is het maar een fractie, is juist het mooiste van het hele proces. Daar gaat het om. Kunst is leven en is, als het leven zelf, altijd een doorgaand proces. Daarin kun je zelfs nog geen minuut herhalen. Bovendien schuilt er een gevaar in jezelf herhalen. In de serie van 90x110cm liggen de werken dicht bij elkaar en is het wel goed gegaan.

Ja, ik vind het een mooie reeks, die je zowel als groep als elk apart kunt bekijken. Het bevalt me wel om een kunstenaar, ook als het werk gedaan is, als het ware toch nog aan het werk te kunnen zien. En dat is bij deze reeks duidelijk het geval. Maak je ter voorbereiding ook wel eens schetsen of heb je de ideeën alleen in je hoofd?

Mijn schilderijen zijn met elkaar als het ware mijn geheugen. Daar breiden ideeën in en de mogelijkheden zich steeds uit. Op elk doek, groot of klein, valt iets uit te zoeken. Ook het kleinste ding kan soms maanden onderweg zijn. Het wordt altijd een zelfstandig werk, nooit een voorstudie. Alle schilderijen hebben met elkaar te maken, grijpen in elkaar en verwijzen naar elkaar. Nu we het werk vanaf 1992 bekijken valt me ook op hoe sterk ze uiteindelijk met elkaar verbonden zijn, hoe ze zoekend en reagerend uit elkaar zijn voort gekomen.

Je probeert de dingen niet uit op een stuk papier of karton?

In een werkboek schrijf of teken ik gedachten of ideeën op om ze niet te vergeten. Later kan ik er op terug komen. Verder probeer ik zelden eerst iets uit op papier. Ik werk meteen op het doek. Anders kan ik daar niet de intensiteit in leggen die ik nastreef. Ook wil ik geen klein werk overbrengen op een groot doek. Dat gaat niet. Elk werk is een nieuw proces.

Elk werk als een schets voor de toekomst?

In feite wel. Ze geven zich door.

Ik geloof dat het een van je grote angsten is om aan een manier vast te komen zitten.

Ik wil me niet vastzetten in een manier. Ik denk niet: zo, dat is mooi gelukt, nou zal ik er nog eens tien van maken. Dat is een lineaire wijze van werken. Zo werk ik niet. Bovendien kun je het denkproces niet stopzetten, noch de voortgang van het werkproces. Soms gaat dat langzaam, heel langzaam. Maar nooit staat het stil.

Hoe bouw je jouw schilderijen op? Laag voor laag zoekend naar de volgende stap? Of heb je het eindresultaat als doel al in je hoofd als je aan een nieuw werk begint?

Er is wel een idee. Van hieruit bouw ik de schilderijen zoekend, van achteren naar voren op. Daarbij moet ik constructief denken. Dat gebeurt heel intuïtief: de kleuren die ik gebruik, de dikte van de verf, de grootte van de kwasten. Het zijn intuïtieve keuzes en tegelijkertijd denk ik er goed over na. Over hoe ik de verf gebruik, of ik het eens ben met de ritmes die ontstaan, of ik een dikke, platte of ronde kwast zal

gebruiken, hoe de lijnen te zetten. Nee, een eindresultaat heb ik nooit vooraf in mijn hoofd. Ik ken de uitkomst niet als ik begin. Het gebeurt dat ik naar een schilderij zit te kijken en beslis wat de volgende stap zal zijn. Dan loop ik naar de palettafel en vervolgens doe ik iets heel anders.

De transparantie van het proces probeer ik zoveel mogelijk te behouden zodat gedachten en gemaakte keuzes zichtbaar blijven.

Ook al maak je ze op verschillende momenten en niet aaneensluitend, achteraf verklaar je sommige werken toch tot een groep. Hoe kom je aan de namen voor dergelijke groepen?

Titels kondigen zichzelf aan. Ik zoek er niet naar. Sinds de laatste vijf jaar deel ik mijn werk in series in met als titel Streepsgewijze Ruimte. Nu heb ik kleine werkjes gemaakt waar de ruimte zich afwisselt door kleurbanen. Deze serie heet Gedeelde ruimte. Het zijn nogal kale benamingen, misschien wordt dat weer eens anders.

Is er een opeenvolging in tijd van deze groepen? Of ontstaan ze naast elkaar?

Ze kunnen naast elkaar ontstaan en ook opeenvolgend in de tijd. Vroeger waren er veel grote gezinnen en dan kwam het regelmatig voor dat een tante en een nichtje even oud waren. Zo gaat mijn werk ook niet altijd precies chronologisch van a naar b maar overlappen series / families elkaar. Ik zie mijn werk als één lange doorlopende tocht.

Arid Zone ben ik begonnen met kleine doekjes in 1992. Enkele grote volgden in 1993. En in 1997 heb ik er zelfs nog een gemaakt. Zonder Horizon begint in 1998 en de laatste uit deze serie heb ik gemaakt eind 2002. Terwijl ik aan deze doeken werkte, begon ik in 1999 aan de serie Circumspectare waarvan de laatste ook van 2002 dateert. Ondertussen begint in 2000 de serie Hektikos die tot in 2003 doorgaat. La musique des balustrades is een groep van vier doeken uit 2003-2004. Constructies begint in 2002 en eindigt in 2004. De eerste doeken van Streepsgewijze Ruimte beginnen in 2000. De series gaan nog steeds door. Tenslotte de kleine werken op 35x35cm Stripewise zijn van 2003 tot begin 2005. Gedeelde Ruimte is in 2004 begonnen en ik weet niet wanneer dat eindigt. In de tweede helft van 2005 begon ik aan vier nieuwe series: Light and Distribution, Refraction series, Partition series en Hum of Voices.

Arid Zone verwijst vast en zeker naar Australië.

Arid Zone betekent: het droge onvruchtbare gebied. Dat betekent ook dat er een andere vegetatie is, een ander ritme, een andere leefwijze etc. Het binnenland van Australië is zo’n arid zone.

In deze serie heb ik enkele grote doeken gemaakt, vrij snel na Australië. Plotseling had ik de ruimte en het landschap te pakken. Met Arid Zone ontdekte ik hoe ik met lijnen ruimte kon vormen. Met zoveel eenvoud had ik nog nooit gewerkt en zonder de arid zone in het Australische landschap zou ik daar misschien niet toe gekomen zijn. Door te kijken naar de schilderijen van aboriginal kunstenaars leerde ik dat je ruimte op een andere manier kunt zien en verbeelden, namelijk niet in perspectief zoals in de westerse kunst. Het is de ruimte van overal, bijna hallucinerend zoals je bijvoorbeeld ook kunt ervaren bij het kijken naar de azelejo’s, de arabisch-portugese mozaïeken.

Wanneer kwamen de waaiers in je werk?

Al in 1993, in kleine werkjes. Het zijn cirkellijnen. Doorgetrokken zouden het cirkels zijn. Met deze cirkellijnen kon ik het over de oneindigheid van de ruimte hebben. Behalve enkele werken in 1995, duurde het nog tot 1998 voordat ik er echt mee verder kon. Toen begon de serie Zonder Horizon, waarbij de horizontale lijnen refereren aan de natuur en het landschap. Ik denk dat deze horizontale lijnen de ruimte weer terugbrengen naar een begrijpelijke ruimte, waarin we ons thuis kunnen voelen. Het gaat mij niet om een vorm op zich. Het geheel is de vorm.

Deze lijnen zijn geen verbeelding van de hete trillende lucht. Ze maken het mogelijk om ruimte zichtbaar te maken, om ruimte als het ware naar me toe te halen, te leren kennen. Vragen als: hoe ziet ruimte eruit en wanneer zijn ruimte en landschap vormen en wanneer niet, houden mij hier erg bezig. In elk doek blijft het een uitdaging om vorm en ruimte met elkaar in verband te brengen, zodat er eenheid tussen die twee ontstaat.

Op een bepaald moment verschijnen behalve de waaiers ook hele cirkels in je werk. Zie je die inderdaad als cirkels of zijn het bollen of geschilderde gaten of nog wat anders?

Ik zie cirkels die openingen geven. Het is niet vanzelfsprekend om cirkels te combineren met lijnen. Als vorm is een cirkel af. Je kunt er niet in. Je begrijpt hier niet wat er precies aan de hand is. Het intrigeerde me. Ik heb een aantal werken met cirkels op papier en op doek gemaakt. Vervolgens een serie met de titel Circumspectare. Dat betekent ‘rondkijken’ en bestaat uit 24 werken, ca. 50x50cm, gemaakt met olieverf op geprepareerd, niet opgespannen linnen.

Ik denk dat ik een beschouwende schilder ben, kijkend, onderzoekend, noterend. Het Australische binnenland vond ik een wonder en ik probeerde jarenlang, op diverse manieren, schilderend te begrijpen wat ik gezien had, te vertellen over het weinige dat ‘alles’ is. Over de kleine grens tussen iets en niets.

Maar ik neem aan dat het niet alleen de Australische ervaring is die je blijft bezig houden.

Nee. Alles wat je ziet zit ergens in je hersenen opgeslagen. Zo kijk ik hier ook naar de geploegde akkers. Die hebben vaak mooie structuren en lijnen, stevige heldere banen. Ik schilder ze niet na. Maar het is gezien en het blijft een herinnering aan iets wat me boeide. Ik heb werken gemaakt met diagonale lijnen, misschien komt dat van de akkers. Hetzelfde geldt voor de populieren. Misschien heeft mijn gevoel om ruimte niet meteen prijs te geven, maar vanuit lijnen op te roepen, wel te maken met het thuislandschap waar ik overal populieren zag. Een horizontaal ritme van verticale lijnen waar je doorheen kunt kijken. Nog altijd vind ik dit even fascinerend.

Denk je dan ook wel eens aan de manier waarop Vincent van Gogh ze heeft geschilderd, bijvoorbeeld in het landschap dat nu in Museum Boijmans van Beuningen hangt?

Ik ken het en het raakt me dat Van Gogh hier in de buurt was, ze zag en er iets mee deed. Maar als ik met mijn werk bezig ben, denk ik niet aan dit schilderij. Ik denk dan ook niet aan populieren. Van Gogh is voor mij vooral een schilder van de emotie.

Op boomschorspapier heb ik met diagonale lijnen gewerkt. Als dit papier nat wordt, gaat het erg bobbelen. De acrylverf die ik gebruikte liep mooi in de putjes en hoopte zich op. Zo’n effect is ‘gekregen’. Ik gebruik het een paar keer en dan verlaat ik het weer.

Een soortgelijk lijnenspel heb je ook op doek gemaakt met evenwijdige lijnen, tamelijk smal maar bijna golvend van vorm.

In 1999–2001 heb ik een aantal kleine doeken gemaakt, 40x50cm met een lijnenritme. Lijnen naast elkaar. Uit de hand getrokken. Hierdoor lijkt het geheel te trillen. Het ging me met deze structuren om ordenen en vormen.

Je hebt ook een tijdje vlakken opgedeeld als een soort filmbeelden.

Dat is een serie schilderijen van 90x110cm uit 1998. Ik noemde ze filmschilderijen en hing ze in diverse combinaties naast elkaar. Samen vertellen ze over de eindeloosheid van ruimte, als beelden in een film. Ik heb toen nog notities gemaakt om ze op een bepaalde manier te filmen: ‘lopen door beelden van ruimte’. Maar dat is er nooit van

gekomen en inmiddels heb ik ze niet ook meer in mijn bezit. Zo heb ik ook een serie van zes werken op karton gemaakt met de titel Walking. Samen vertellen ze, als in een film, over lopen, over doorlopen.De filmschilderijen hebben per stuk een eigen karakter, cirkellijnen, rechte lijnen, verfvlekken, spiraalvormen. Samen spelen ze op elkaar in en roepen een veelzijdig, driedimensionaal beeld op.

La musique des balustrades klinkt muzikaal en architectonisch tegelijk. Aan wat voor soort muziek en wat voor gebouwen refereer je?

Het is geen direct refereren. Het is figuurlijk gebruikt. In de serie Streepsgewijze Ruimte II zitten enkele schilderijen die mij achteraf aan flatgebouwen deden denken.

Het ritme van de horizontale en verticale lijnen deden me denken aan flatgebouwen en balustrades. Ze zijn van achter naar voren opgebouwd. De lagen blijven zoveel mogelijk zichtbaar. Het licht achter de lijnen deed mij denken aan verlichte ramen in een flat.

Ik schilder geen flatgebouwen en mijn schilderijen zijn zelf geen muziek. De ruimte die ik voor ogen heb, heeft wel verwantschap met de muzikale ruimte. De muzikale ruimte is een ruimte die we kenbaar kunnen maken met klanken en ritme. Mijn werk refereert niet aan muziek als klank, eerder is er het ritme. En de klanken van kleur die aan muziek doen denken.

Als kind was ik vaak bezig met de relatie tussen letters en kleur. Letters riepen bij mij een kleur op. Met regelmaat maakte ik een gekleurd alfabet en was dan ook benieuwd of het nog hetzelfde was als een vorige keer. Het was een fantasie van mezelf maar later heb ik het toch jammer gevonden dat deze blaadjes niet bewaard zijn gebleven.

In mijn academietijd vond ik het idee terug in Über das Geistige in der Kunst waarin Kandinsky schrijft over de hechte relatie tussen vorm en kleur.

Is in zo’n geval de relatie met de flatgebouwen dat je door dat ritme geïnspireerd bent of zeg je achteraf: goh, het lijken wel flatgebouwen?

Bij Streepsgewijze Ruimte serie II is het een ontdekking achteraf geweest. Maar bij de serie La musique des balustrades (Streepsgewijze Ruimte VII) heb ik met het idee van flatgebouw wat gedaan. Het horizontale en verticale ritme is versterkt. Het architectonisch element ook. Hier heeft de gedachte aan een flatgebouw me geïnspireerd.

Maar je gaat niet zover om te zeggen dat het een soort afbeeldingen van flatgebouwen zijn?

Nee, nee. Dan had ik ze heel anders geschilderd. Als afbeeldingen van een flatgebouw waren het heel andere schilderijen geworden.

Dat lijkt mij ook.

Het is het idee. In dit geval een houvast.

Maar eigenlijk is de serialiteit van flatgebouwen er vaak het vervelendste aan? Of vind je die wel aangenaam?

Het ritme kan iets uitdrukken. Het is een vooroordeel te denken dat flatgebouwen altijd lelijk zijn. Er zijn ook mooie. Ik denk nu meteen aan de gerestaureerde flatgebouwen die ik in 2004 zag in voormalig Oost Berlijn, aan de Karl Marx Allee. Ik was er verbaasd over dat ik ze zo goed vond. Een gebouw kan alles in zich hebben.

Ga je wel eens op architectuurexcursie?

Niet speciaal op excursie. Dat komt misschien nog. Wel let ik altijd en overal op de architectuur. Volgens mij deed ik dit als kind al.

Het zijn forse doeken van 140x180 en 150x200cm. Als je niet toch al een voorkeur had voor grote doeken, dan zou je haast gaan denken dat je met de maat van je doeken gelijke tred probeert te houden met de maat van grote gebouwen.

Met het formaat begin je. Als je schildert is het formaat een gegeven waar je mee werkt, net als bijvoorbeeld de techniek. Je neemt het mee tijdens het werkproces. Het schilderij gaat vanzelf een relatie aan met het formaat. Maar stel, als ik het idee van La musique des balustrades op kleinere doeken, bijvoorbeeld 70x80cm had gemaakt, dan waren ze heel anders geworden. Dan hadden ze een ander karakter gehad en waren ze niet geworden wat ik toen zocht. Nu past de voorstelling in dit formaat. Soms gebruik ik een idee uit een groot schilderij op een klein doek. Dat levert dan weer andere werken op.

Wat is de maat van de grootste doeken waar je tot dusver op gewerkt hebt? Die horen, dacht ik, niet bij de groep van La musique des balustrades.

De grootste maat waar ik tot nu toe op werkte is 182x226cm. In 2003 en 2004 heb ik in dit formaat nog drie doeken gemaakt en ondergebracht in Streepsgewijze Ruimte serie VI. Op deze doeken speelt zich op de achtergrond een horizontaal en verticaal ritme af in lijnen en banen. Daaroverheen heb ik een transparante verdeling gelegd,

afwisselend in twee kleuren, horizontaal of verticaal, waarbij de openheid van het beeld belangrijk is.

Ik vond ze erg mooi hangen op de tentoonstelling die je zomer 2004 in Nijmegen had. Bovenaan de grote trap naar de aula in het hoofdgebouw van de universiteit. Het was alsof ze voor zo’n plek gemaakt waren.

Ze pasten wel bij het ritme en de openheid van het gebouw.

Bij dezelfde gelegenheid, maar dan in een van de gebouwen van het Radboud-ziekenhuis, hing je afwisselend kleine en grote werken naast elkaar in een lange gang waarbij de kleine ruim boven ooghoogte hingen. Als een soort omhoog geschoten voetnoten kwamen ze veel beter tot hun recht dan wanneer je ze op normale ooghoogte had gehangen.

Ze waren als een soort tussenspel opgehangen, als schakels. Het gaf een afwisselend ritme. En achteraf bleek het ook veiliger te zijn om ze hoog op te hangen. Het is een openbare ruimte waar de hele dag mensen lopen.

Zie je de kleine schilderijtjes als een bouwsteen voor de grote, als een soort module?

Op kleine doeken kun je snel werken om een idee zichtbaar maken. Je noteert als het ware kleine ontdekkingen die later in grote doeken gebruikt kunnen worden. Maar omgekeerd geldt dat ook. Al werkende ben je constant je beeldmogelijkheden aan het onderzoeken en uitbreiden. Elk werk bestaat op zichzelf, maar het geeft zichzelf door aan het volgende.

Alle kleine ontdekkingen worden als het ware de woorden van mijn taal. En net zo min als je in één verhaal alle woorden gebruikt die je kent, doe je dat in een schilderij ook niet. Je gebruikt de woorden naar gelang ze nodig zijn.

Twaalf van de 35x35cm werken heb je onder de titel Stripewise, space on 35 cm in een boekje gepubliceerd. Je gaf de werken de namen mee van de maanden van het jaar. Heb je dat alleen voor deze twaalf gedaan of ook voor de andere werken die in dezelfde serie zijn gemaakt?

Voor een studieproject aan een grafische opleiding werd mijn medewerking gevraagd om een brochure te maken. Omdat het maar een kleine brochure zou worden, kozen we voor één serie schilderijen en het werden de 35x35cm werken. Daar was ik al in 2003 aan begonnen en op dat moment nog steeds mee bezig. In totaal heb ik er dertig gemaakt. In eerste instantie heb ik alleen de twaalf werken uit Stripewise een naam gegeven, naar de maanden van het jaar.

Had je bij het maken van deze schilderijtjes ook al een associatie met de maanden of is dat pas achteraf zo gekomen? Ik meen me te herinneren dat ik je in dit verband wel over seizoenen als winter en lente heb gehoord, maar nooit zo specifiek over bepaalde maanden.

Toen de tekst en opzet van het boekje klaar waren, konden er twaalf schilderijen in geplaatst worden. Om hiervoor geen willekeurige keuze te maken besloot ik om de maanden van het jaar als inspiratiebron te gebruiken. En dat werkte heel goed. Het klopte. De maanden zijn een indeling van de tijd. Uiteindelijk heb ik er nog meer een titel van tijd gegeven, bijvoorbeeld ‘dag’, ‘nacht’, ‘ochtend’ etc.

Heb je plannen voor een vervolg in deze richting?

Inmiddels heb ik dertig nieuwe doekjes van dit formaat opgespannen. Bij de eerste serie vond ik het achteraf wel fijn om een totaal abstract werk te kunnen koppelen aan een werkelijkheid. Het thema ‘tijd’ kan wel een inspiratie zijn voor de volgende serie.

Hier op je atelier zie ik drie schilderijtjes die je nog niet op een tentoonstelling aan het publiek hebt laten zien en die voor jouw doen heel anders zijn. Het zijn takken met blaadjes.

Toen ik volop met de 35x35cm werken bezig was, wilde ik graag proberen hoe het zou zijn om vanuit een bestaand ritme te werken. Zomaar om te kijken wat dat inhield. In het dorp kocht ik een lap witte gordijnstof, waarin takken met blaadjes geweven waren en spande er vier doeken van 35x35cm mee op. Ik ging uit van de ritmiek en de vorm van de blaadjes. Het is heel ontspannend om je alleen maar op de kleur en de verf te richten. Uiteindelijk ben ik er toch lang mee bezig geweest voordat de kleur helemaal goed was en het geen gordijnstof meer was maar een schilderij.

Blijft het voor jou wel een patroon van blaadjes?

Nee. Ik zie het vooral als een ritme, nu niet van lijnen, maar van een dansend patroon. Het was een experiment. Nu weet ik wat het is. Je kunt daar ook veel mee doen. Maar het is bij deze drie gebleven.

Het proces van het maken is belangrijk voor mij. Zoeken naar de vorm van het geheel. Uiteindelijk moeten ruimte, kleur, structuur, licht, ritme, etc. met elkaar, in dialoog, een beeld vormen. Als je een doek opgezet hebt, weet je nog niet waar het naar toe zal gaan, maar gaandeweg wordt dat steeds duidelijker.

Een vaste vorm is voor mij altijd een strijdpunt geweest. Vroeger, echt in het begin, dacht ik dat je een vorm moest hebben voordat je kon gaan schilderen. Zo gedacht was het aantrekkelijk om de vorm te ontlenen aan bijvoorbeeld een stilleven. Een stilleven is een mooi studieobject, voor vorm, de ruimte tussen de vormen, licht etc. Maar vooral bij landschappen gaat het om de ruimte tussen de vormen.

Vorm moet natuurlijkerwijs ontstaan en na Australië ontdekte ik opeens hoe ik dat aan kon pakken. Met lijnen kun je vormen. De vorm die dan ontstaat is vanzelfsprekend. Ik formuleer vorm als het ware tijdens het schilderen en geef mijzelf zo gelegenheid om tot ruimte te komen. Want het gaat mij om de ruimte. De dialoog tussen vorm en ruimte is altijd mijn strijd en mijn uitdaging geweest. Komen tot vorm zonder een vorm te schilderen. En door de vorm heen bij ruimte terechtkomen. Dit was ook de opgave die Paul Cézanne zich stelde. Bij hem gaan vorm en ruimte als gelijkwaardige delen in elkaar op.

Is Cézanne jouw grote voorbeeld?

Toen ik voor het eerst schilderijen van hem zag, had ik het gevoel dat daar alles in zat wat ik zelf ook zocht. Ja, ik denk dat hij een van mijn beste leermeesters is. Hoe hij met vorm en ruimte bezig is geweest, steeds onderzoekend hoe deze zich tot elkaar verhouden en bij elkaar aan kunnen sluiten. Alsof hij elke keer als hij de Mont Sainte Victoire schilderde heeft gedacht: hoe kan ik die berg maken zodat er een eenheid ontstaat tussen de lucht en de berg. Hoe kan ik de ruimtelijkheid van die berg duidelijk maken tegenover de ruimte van de lucht. En dat steeds in een ander licht. Elke keer heeft hij opnieuw ‘nieuw’ gekeken. Zijn landschappen zijn als het ware constructies in de ruimte.

Een groep waar we het nog niet expliciet over hebben gehad, is die waar voor mijn gevoel de kleur weliswaar ook een vorm is maar toch vooral gewoon kleur. Het lijkt me dat deze manier van werken voor jou op dit moment de meeste beloftes voor een vervolg heeft. Hoe kijk je daar zelf tegen aan?

Er ontstaan veel nieuwe elementen sinds de laatste paar jaar. Vooral kleur wordt steeds belangrijker in mijn werk. Kleur is niet los te zien van ruimte en licht. Kleur geeft ruimte aan, dichtbij, ver weg. Elke kleur roept een andere ruimte op, een ander gevoel en samen kunnen ze de veelzijdigheid van ruimte verbeelden. Kleuren kunnen elkaar verzwakken of sterker maken. Steeds beter wordt het me duidelijk dat kleuren gedragen moeten worden. Ze moeten de kans krijgen om hun ruimte te scheppen. Ik blijf de kleuren bijsturen en veranderen totdat ze met elkaar in samenspraak zijn. Met dit gegeven werk ik heel bewust, misschien wel sinds Streepsgewijze Ruimte serie VIII-1 uit 2003.

Zo is ook heel vanzelfsprekend in serie V iets ontstaan dat ik het hervatten van de lijnen noem. Met dit gegeven dat mij erg bezighoudt, kan ik veel doen. Ik schilder lijnen, maar gedeeltelijk hervat ik de lijn in een andere kleur. Hierdoor ontstaan er verschillende ruimtes in één lijn. Spelenderwijs heb ik zo enkele doeken gemaakt, de eerste in 2003. Nu werk ik aan vijf doeken van 120x120cm waarin ik dit gegeven wat verder uitwerk.

Ter afsluiting van dit gesprek ben ik benieuwd naar je antwoord op de vraag wat voor soort kunstenaar je niet wilt zijn.

Het gaat om het werk. Ik maak niet om te behagen, ook niet om te shockeren. Ik wil geen trucjes gebruiken om te imponeren. Eigenlijk wil ik een stap verder gaan: naar ruimte om het leven te volgen.

Je hebt me ook wel eens gezegd geen zakdoekenschilder te willen zijn.

Dat heb ik ooit tegen je gezegd ja. Dat noemde ik dan maar zo. Elkaar kruisende lijnen vormen ruimte maar als je hiermee anders omgaat worden het ruitjes. Het gaat me niet om ruitjes, maar om het spel van lijnen, om ritme. Bovendien wil ik niet van een vorm uitgaan, maar vanuit een grondgevoel, vanuit een basisidee over ruimte.

Dat grondgevoel is heel wat jaren voortgekomen uit je ervaringen in Australië. Maar de laatste jaren laat je dat meer en meer los en ben je nieuwe wegen gaan verkennen.

Zeker! Ergens in 2000 besefte ik opeens dat de periode ‘Australië’ voorbij was. Het was verwerkt. Ik zag het toen de eerste werken uit Streepsgewijze Ruimte ontstonden. Het waren schilderijen waaruit de landschappelijkheid was verdwenen.

Ik heb veel aan Australië gehad. Zo’n acht tot negen jaar heeft het mij geïnspireerd en gemotiveerd. Het heeft zoveel beelden opgeroepen. Maar ik heb het achter me gelaten en een volgende stap gezet.

Al met de Hektikos serie kwamen er andere kleuren en andere ritmes. Er ontstond een ander spel, een ander soort vrijheid. Zo voelde ik dat toen ook heel sterk. Na de roden, okers, bruinen en zwarten en witten kon ik opeens met heel andere kleuren aan

de slag. Het ging vanzelf. Ik heb er niet over nagedacht. Ik schilderde toen zelden op kleine formaten en het formaat van 40x50cm gaf mij andere mogelijkheden. Tijdens Hektikos ontstond een nieuw kleurengamma van roze, gelen en groenen. Andere kleuren leiden je een nieuwe wereld binnen. De ruimte die de serie opriep was

ook van een heel andere aard: meer stedelijk dan landschappelijk. Misschien moet ik wel zeggen dat mijn gevoel van ruimte aan het verstedelijken was.

De verbeelding van de landschappelijke ruimte is veranderd naar een ruimte met de klanken en het ritme van ons bestaan. Het wordt steeds meer een abstracte muzikale ruimte. Het gaat niet meer om het verbeelden van wat ervaren en gezien is, maar om het beeld op zich. Hierbij heeft kleur mij de weg gewezen.

Je loopt door en laat dingen achter je.